Friday, 13 December 2019

De strijd om het Polderhoekkasteel / the Battle at Polderhoek Chateau


This time Dutch text as the first and English as second language.
However, they are not the same texts. Most of the English text is translated in Dutch but in the Dutch text are also some specific details who could be of interest for Belgian readers. The English text is from the late Brigadier John H. Gray, a good friend who gives me already more than 10 years ago the permission to translate and adapt his texts.
If you want to use text and/or maps, please remind the source.

De Nederlandse tekst wordt gevolgd door de Engelse. Het is niet dezelfde tekst, de Nederlandse tekst is langer en bevat meer informatie (ook bibliografie toegevoegd) welke nu bekend is. de Engelstalige tekst is van de hand van Brigadier John H. Gray die mij toestemming gaf zijn teksten te gebruiken. Indien men wil tekst en/of kaarten gebruiken wil dan de oorsprong vermelden.




Terug naar het front bij Zonnebeke
tekst en kaarten/foto's Freddy Declerck

Begin november 1917 kreeg de Nieuw-Zeelandse Divisie orders om de 21ste Britse Divisie af te lossen in een sector oost van het Polygone bos en ten zuiden van Zonnebeke.

De Nieuw-Zeelandse Divisie nam vanaf 13 november 1917, met de 4de  Brigade, haar posities in rond Polygon Wood. Een dag later volgde de Rifle  Brigade. De Nieuw-Zeelanders namen het commando van hun sector over  op 16 november 1917 met de rest van II ANZAC  (Australian and New Zealand Army Corps) waaronder de  49ste  en 66ste  Britse Divisies.  De 2de Brigade was in steun terwijl de 1st Brigade onder het Corps geplaatst was voor werkopdrachten. De  3de Australische Divisie was bij I ANZAC ondergebracht en maakte dus geen deel meer uit van II ANZAC. Het divisiehoofdkwartier lag in Chateau Segard bij Café Belge in Dikkebus, bij het ANZAC kampement terwijl de brigadehoofdkwartieren in diepe dugouts waren ondergebracht bij Hooge Crater.

De rechtergrens van die sector was de Reutelbeek die ontspringt op de oostelijke helling van de Midden West-Vlaamse Heuvelrug en in de Leie vloeit bij Menen. Ten zuiden van die grens lagen de resten van het Polderhoekkasteel. De 49ste Britse Divisie lag aan de linkerflank vanaf Noordemdhoek. De breedte van de Nieuw-Zeelandse sector was ongeveer 2,4 kilometer.

Het IX Britse Britse Corps lag recht voor Polderhoek (ten westen van het Polderhoekkasteel), met de 39ste Div ten zuiden van de Reutelbeek, terwijl de Nieuw-Zeelanders eigenlijk in het noordwesten zaten, in de buurt van de Oude Kortrijkstraat en daarboven in Polygon Wood.

Het gebied tussen de Reutelbeek en de Oude Kortrijkstraat behoorde ook tot hun sector doch was zo goed als ondoordringbaar. De Reutelbeek was kapot geschoten en werd eigenlijk gevormd door met water en slijk gevulde bomtrechters, de ene naast de andere,  die tussen de 7 en 10 meter breed waren. Het zwarte moerassig met zacht slijk gevuld gebied op de linkeroever, waar de patrouilles tot kniediep in zakten was een onoverkomelijk obstakel.

Op 4 oktober was de polderhoekhoogte met het kasteel reeds in handen van de Britten geweest, doch dezelfde dag namen de Duitsers het kasteelpark terug in.
De Duitsers zaten voornamelijk in het Vijverbos ( Juniper Wood) doch ze hadden voorposten op verschillende plaatsen zoals Polderhoekpark en op en rond het gehucht Reutel. Hun hoofdmacht lag echter een 1000 yards naar het oosten in Beselare.
polderhoek park in 1914, quasy ongeschonden

De Aanleiding

De Nieuw-Zeelanders werden voortdurend onder vuur genomen door de Duitsers, voornamelijk in de buurt van de Reutel en Cameron Covert, een bosje ten zuiden van de Oude Kortrijkstraat dat nu verdwenen is.

De Duitse infanterie was rustiger dan hun  artillerie die veel heftiger vuurde dan normaal.

Er werd gevreesd voor een aanval met als doel de frontlijn te doorbreken in de richting van de Meense weg.

De Nieuw-Zeelandse defensielijnen waren niet goed georganiseerd, hun posities (onder andere communicatieposten en artillerie) waren gekend bij de Duitsers terwijl het Duitse geschut wel degelijk goed verstopt was. Zij beschikten ook over hoger gelegen, drogere grond van waaruit tegenaanvallen gemakkelijker uit te voeren waren. Er stond ook een massa artillerie klaar om een aanval te ondersteunen. Er waren regelmatig patrouilles actief die probeerden om ’s nachts de Nieuw-Zeelandse stellingen te overrompelen, tot nu toe zonder succes.

De verdediging aan geallieerde kant was niet zo schitterend, er waren wel 3 defensielijnen aangelegd doch de eerste lijn was niets meer dan een verzameling voorposten die zelfs geen onderlinge verbinding hadden. De tweede lijn op 200 tot 400 yards was een ondersteuningsloopgraaf van waaruit machinegeweervuur de gaten tussen de voorposten moest dekken, de derde lijn op een halve mijl van de tweede was georganiseerd als een reserveloopgraaf.

Polderhoek is op een hoogte gelegen tussen twee beekvalleien in: de Reutelbeek in het noorden en de Scherriabeek in het zuiden. De hoogte daartussen was van groot belang omdat de Duitse waarnemers elke beweging van de Britten konden zien en doorgeven naar de artillerie die goed verscholen verder naar achter zat. Van het kasteel bleven alleen ruïnes over en van de bomen en andere beplanting van het park was ook niet veel meer te merken. Tussen de ruïnes van de bijgebouwen en de verbrijzelde bomen stonden kleine Duitse bunkers gegroepeerd. De prikkeldraadversperring was tussen die boomstronken verweven.
De Duitsers gebruikten de kelders van het kasteel als ondergrondse schuilplaats en natuurlijk ook als opslagplaats.

Om hun sector zo veilig mogelijk te kunnen bezetten moesten de geallieerden proberen om de Polderhoekhoogte in te nemen. Het te veroveren gebied had een breedte van 400 yards en een diepte van 600 yards, genoeg om de Duisters te verdrijven van deze belangrijke hoogte van waaruit ze hun vuurleiding dirigeerden.

Het Plan

De Nieuw-Zeelanders, die het meest te lijden hadden onder de Duitse artilleriebeschietingen en infanterieaanvallen, werden belast met deze operatie. Het was echter zo goed als onmogelijk om dit vanuit hun sector te doen, temeer door de eerder aangehaalde reden dat de Reutelbeekvallei een onoverkomelijke hindernis was. Doordat de bestorming zou dienen te gebeuren vanuit de vallei naar de hoogte van Polderhoek was dit een bijkomende moeilijkheid. Een niet te onderschatten probleem vormde ook het geschut vanuit Beselare en vanuit het Vijverbos. De eigen artillerie daarentegen zou vanuit het noorden onvoldoende steun kunnen bieden en helemaal niet in staat zijn om een echt spervuur te leggen.

Om deze reden namen de Nieuw-Zeelanders een stuk sector over van het IXde Corps dat, ten westen, recht tegenover het Polderhoekkasteel lag. De sector werd in het noorden door de Reutelbeek en in het zuiden door de Scherriabeek ingesloten. Na de aanval zou het gewonnen gebied aan het IXde Corps toegewezen worden.
Kasteel/chateau voor WOI/before WWI

Een bijkomend voordeel van de aanval vanuit het westen was dat men vanuit die sector gebruik kon maken van de loopgraven, direct tegenover en in de onmiddellijke nabijheid van het kasteel, om de troepen die aan de  bestorming zouden deelnemen te verzamelen.
Aan de zware artillerie van het IXde Corps werd de taak opgedragen om het voorbereidend bombardement uit te voeren. De Nieuw-Zeelandse 2de Brig kreeg de aanval toegewezen en het 2de Canterbury samen met een Machinegeweersectie nam in de avonduren van 25/11/1917 de sector tussen Scherriabeek en Reutelbeek over tijdens een sneeuwstorm.

’s Anderendaags werd het commando van deze sector door de NZ Div overgenomen. Onmiddellijk werd gestart met het graven van bijkomende verzamelloopgraven voor de nakende operatie.

Het eerste zware concentratievuur door de artillerie op het kasteel werd uitgevoerd op 28 november. Op 29 en 30 november werd dit voortgezet en de ruïnes van het kasteel werden herhaaldelijk getroffen. Sommige artilleriestukken schoten te kort en maakten slachtoffers onder de eigen troepen. Nochtans bleven de Britten in de eerste lijn alert genoeg om te voorkomen dat de Duitsers hun prikkeldraadversperringen konden herstellen.

Om vijandelijke vergelding te voorkomen werden het grootste deel van de troepen, zowel voor het kasteel als ten noorden van de Reutelbeek, voor dageraad teruggetrokken. Er waren verschillende voltreffers op de ruïnes en waarnemers van de 4de Brigade konden een groot aantal Duitsers zien vluchten uit de kelders van het kasteel in het open veld om de schokgolven te ontlopen die veroorzaakt werden door de zware inslagen. In de namiddag waren brancardiers onder bescherming van de Rode Kruisvlag bezig gewonden te transporteren naar ambulances op de weg naar Beselare.

Er werd ook een artilleriebeschieting uitgevoerd op het Duitse verdedigingssysteem ten noorden van Beselare doch dit werd gepareerd met zwaar vijandelijk artillerievuur op Butte’s en op de inmiddels verlaten posten in Cameron Covert die volledig vernield werden.

Op 29 november konden vijandelijke houwitsers een kleine bunker vernietigen die gebruikt werd als Regimental Aid Post (RAP) door het Canterbury regiment. De bombardementen vanuit de Britse stellingen werden herhaald op 30 november.
De Duitse prikkeldraadversperringen die tussen de boomstronken aangelegd waren, werden succesvol vernietigd door de houwitsers. Patrouilles van het Canterbury regiment bevestigden dit.

De enige, met loopplanken aangelegde weg, (E-track) werd verbeterd en verlengd en munitie en geniematerieel werd heimelijk aangebracht in de loopgraven.

Het Duitse garnizoen in het kasteel was erg agressief en zowel op 26 als 30 november deden ze kleine uitvallen die compleet teruggeslagen werden. Tot nu toe waren ze zich niet bewust van hetgeen hen te wachten stond en ze stelden zich bloot aan Nieuw-Zeelandse sluipschutters.

De datum van de aanval was vastgelegd op 3 december. 1st Canterbury en 1st Otago waren aangeduid om de actie uit te voeren. Hun compagnieën werden gereduceerd tot 2 officieren en 100 man. De geselecteerde troepen bestonden voor een groot gedeelte uit pas toegekomen versterkingen die praktisch geen ervaring hadden. Zij dienden voorafgaandelijk de aanval in te oefenen achter het front in Dikkebus op een stuk grond dat een schaalmodel was van de echte Polderhoek. De gebouwen en bunkers werden genummerd als op de kaart en ze werden voorgesteld door op hopen gelegd schroot en ander materieel.

Verkenners werden uitgestuurd vanuit de linie, bezet door 2nd Canterbury, om  het aanvalsgebied  en Cameron Covert te observeren. De troepen belast met de eerste aanvalsgolf gingen al in de loopgraven op 1 december ’s avonds. De rest van de bataljons de volgende dag. De compagnieën belast met de ondersteuning namen de frontlijn over. De aanvalstroepen werden in de achterste loopgraven geplaatst om hen vertrouwd te maken met hun verzamelposities, troepenbewegingen te vermijden tijdens daglicht en om hen een “redelijke” nachtrust te gunnen.

2nd Canterbury dat afgelost was in de frontlijn had zijn taak volbracht en vertrok achter het front. 2nd Otago werd als reserve gehouden.

Het aanvalsmoment werd vastgelegd om 12.00 uur. Het nadeel van daglicht zou gecompenseerd worden door het verrassingseffect. Men had namelijk dagelijks op het middaguur zware artilleriebombardementen uitgevoerd en men was er van overtuigd dat de Duitsers, die dit reeds gewoon waren, op de middag onder de grond en in de kelders van het Polderhoekkasteel zouden schuilen. Men zou heel grote rookgordijnen optrekken zodat men vanuit Beselare en de hoogte van Geluveld niet zag wat er in werkelijkheid gebeurde en men zou tegelijkertijd met zware concentraties gas de vijandelijke stellingen beschieten.
In tegenstelling tot de normale procedure, een voorafgaand bombardement als aanzet tot het rollend spervuur, werd wegens het gevaar (omdat de lijnen te dicht tegen elkaar lagen en het effect van de verrassing teniet zou gedaan zijn) op hetzelfde moment als de artilleriebarrage ook de stormloop door de infanterie ingezet. Gedurende de stormloop werden alle kanten rond het te veroveren gebied bestookt.

Vanaf het noorden, de kant van de Reutelbeek, werden 2 machinegeweerbarrages gelegd met als doel af te rekenen met de Duitse loopgrachten, de toegangswegen en de schietgaten aan de noordzijde van het kasteel.

Aan Reutel werden mortieren in stelling gebracht met gasbommen tegen de Duitse MG’s in de omgeving van het Vijverbos. Personeel van het 2de Bn en 3de Bn Rifle Brigade zwoegde door de modder om grote hoeveelheden (gas)projectielen over een afstand van 4 kilometer naar het front te brengen. Deze waren bestemd voor de loopgraafmortieren die daar ook opgesteld stonden om de Duitse MG’s in het Vijverbos het zwijgen op te leggen. De Nieuw-Zeelanders zouden daar voor het eerst hun nieuwe Newton-mortieren gebruiken.

Het aanvalsplan was simpel. 2 compagnies van elk bataljon naast elkaar zouden in 2 golven aanvallen. De eerste golf zou gaan tot een tussenliggend objectief  op 50 yards ten oosten van het kasteel. De tweede golf, 50 yards achter hen zou over hun objectief verder doorstoten naar het eindobjectief, de rode lijn, op 300 yards ten oosten van het kasteel, ver genoeg om een goed zicht te hebben op de lager gelegen gebieden.
De grenslijn tussen de 2 bataljons liep net ten zuiden van het kasteel in oostelijke richting.
De Otago’s hadden dus een breder aanvalsfront dan de Canterbury’s doch dat was normaal want de Otago’s waren aan de linkerflank beschermd door het moeras van de Reutelbeek terwijl de Canterbury’s beschoten werden vanuit Geluveld. Nadat de aanvalscompagnieën door niemandsland getrokken waren zou de steuncompagnie de frontlijn bezetten om een eventuele tegenaanval af te slaan. De reservecompagnie zou  dan de aanvallers aflossen in het veroverde gebied.

8 machinegeweren namen direct deel aan de aanval waarvan 2 in de frontlijn, 2 in de steunlinie en 2 toegevoegd aan elk bataljon om dekkingsvuur te verlenen gedurende de consolidatie en bij vijandelijk weerwerk.

Het kasteel zelf lag in de sector van het 1ste  Otago links, terwijl het 1ste  Canterbury af te rekenen had met een serie goed bewapende bunkers, deze in de stallen en het conciërgehuis inbegrepen. Om deze uit te schakelen kreeg het 1ste Canterbury assistentie van 2 lichte loopgraafmortieren. Vanaf de aanvang van de operatie zou Canterbury een defensieve flank vormen in het zuiden in de richting van de Scherriabeekvallei en Geluveld. Bepaalde groepen moesten de weerstandsnesten in bunkers en dug-outs opruimen. Andere moesten posten innemen op elke hoek van het kasteel en verborgen uitwegen bewaken terwijl de uitdrijving van de vijand vorderde.

In het begin van december was het weer helder en vroor het bij een koude bijtende wind, de hoge loopgraven boden enigszins bescherming tegen de gure wind.

De rechterflank van het front, op de smalle rand van de polderhoekhoogte,  was gemarkeerd door een pillbox die op een toren geleek en gekend was onder de naam “Jericho”. De linkerflank was eveneens gemarkeerd door een oude Duitse bunker, in de kelder van een verwoest huis, “Joppa” genoemd. Voorbij deze helling daalde de grond geleidelijk af naar een uitgestrekt desolaat landschap vol met bomtrechters, enkel onderbroken door een groep sombere bunkers bij Veldhoek. Daartussen liep een duckboard-track langs de bataljonshoofdkwartieren, gelegen aan de bunker die “Tower” genoemd werd, naar de Meenseweg. De frontlijn lag dus ongeveer een kilometer van die weg met daartussen een volledig verwoest landschap.

In de loopgraven deed men er alles aan om de nakende aanval geheim te houden. Als, in de ochtend van 3 december, Duitse vliegtuigen de omgeving van Jericho verkenden, verstopten de troepen zich door stil te liggen in hun loopgraven of door dekking te zoeken onder de golfplaten die hen een primitieve beschutting boden. Men mocht niet over de rand van de loopgracht loeren noch luid spreken. Het kasteel, waar nog steeds Duitsers sneuvelden als gevolg van het vuur van de NZ sluipschutters, lag slechts op ongeveer 180 meter afstand. Vijandelijke soldaten in granaattrechters zaten zelfs nog dichter. Om deze reden werd het artilleriespervuur zo geregeld dat ze heel dicht bij de eigen frontlijn dienden te vuren.
De Duitsers behoorden tot I/IR163 dat de polderhoekstellingen in handen had
De Aanval

Terwijl de aanvalsgolf zich  verzamelde in de steunloopgraaf, waren tot 11.50 uur in de frontlinie alleen wat Lewis-gun -en sluipschutters aanwezig om naar goeddunken te schieten en de indruk van een normale bezetting zo lang mogelijk aan te houden.

Iedereen had een zo licht mogelijke bepakking en uitrusting. Hun overjas hadden ze uitgedaan en ze hadden enkel een soepblokje als voedsel mee.

Op de middag van 3 december begon het spervuur op 150 yards voor de eerste aanvalsgolf. Eén batterij vuurde zijn granaten te kort en dat kostte het leven aan verschillende Kiwi’s, voornamelijk uit de linker compagnie van de Otago’s, die net in het open veld kwamen. Het voorzichtig bevel om te verzamelen in de steunloopgracht vooraleer aan te vallen heeft wellicht veel mensenlevens gered. In het geheel niet wanhopig door dit ongelukkig voorval stootte de eerste golf door de eigen frontlijn en bevond zich snel in de wildernis tussen de boomstronken waar de prikkeldraad kapot geschoten was.
De verrassing was echter niet zoals gepland, de Duitsers hadden geen beschutting gezocht zoals verwacht maar hun wachtposten waren waakzaam en ze lagen hen, zoals gewoonlijk, af te wachten op hun bunkers en in bemande granaattrechters. De machinegeweren gaven hen een warm onthaal en de aanval stokte.
Bijna tegelijkertijd met de Britse artillerieaanval kwam het antwoord van de vijandelijke kanonnen en machinegeweren vanuit het kasteel en ook vanaf de hoogte van Geluveld. Het vijandelijk spervuur werd slechts 4 minuten later ingezet dan de aanval. De Duitse artillerie legde een immens spervuur op de duckboard track en op Veldhoek. Door het feit dat beide defensielijnen zo dicht tegenover elkaar lagen, werd weinig artillerievuur op de aanvallende troepen gericht. Toch vielen er heel wat slachtoffers. Verdere vooruitgang werd fel bedreigd en tamelijk vlug werd de aanval volledig gestopt. Op 150 yards van hun oude frontlijn waren de 2 aanvalsgolven reeds gemengd. Op de koop toe begon het ook nog te sneeuwen.

In een bunkerruïne en in een dugout op ongeveer 100 yards ten oosten van hun frontlijn en ten noorden vande Polderhoekstraat, was er heftig vuur van een machinegeweerstelling die de aanval van het 1ste Canterbury ophield. Capt. G.H.Gray,  de compagniecommandant van de 12de Nelson company, ging in de aanval met een handjevol van zijn manschappen, veroverde de post en nam 8 krijgsgevangenen. Hun werk was uiterst waardevol, zij waren,meer nog dan de anderen, blootgesteld aan het machinegeweervuur vanop de hoogte van Geluveld want er was een harde westenwind die het rookgordijn, dat hun artillerie gelegd had, meedogenloos wegblies. De heel goed geplaatste en perfect beschermde Duitse machinegeweren in Geluveld kregen weinig last van de Britse artillerie. Integendeel zelfs, hun vuur werd nog intenser. Alhoewel de Nelson company het hard te verduren kreeg van dit machinegeweervuur, maar ook van de sterke oppositie door de vijand voor hen, trok ze toch vechtend verder voorwaarts. Capt Gray had zeker ook het Victoria Cross (VC) verdiend doch in de Eerste Wereldoorlog werden geen VC’s gegeven aan de Nieuw-Zeelandse officieren want dapperheid was de taak van ieder officier zo oordeelde hun bevelhebber.

Bij het oprukken stuurden ze secties uit om een defensieve flank te vormen en af te rekenen met de vijand op de zuidelijke hellingen. Deze kleine eenheden waren uiterst effectief. Hun geweren en Lewis-guns maakten veel slachtoffers, en één ervan slaagde er zelfs in om een vijandelijke machinegeweerpost uit te schakelen.

Eén vijandelijk bolwerk dat bemand werd door 16 soldaten met machinegeweer bood koppig weerstand. De sectiecommandant en verschillende andere aanvallers werden gedood. Private Henry James Nicholas, op ongeveer 25 yards gevolgd door de rest van zijn sectie, stormde vooruit. Eén moment van aarzeling zou hem zeker het leven hebben gekost, maar hij was op de borstwering vooraleer de Duitsers het hadden gemerkt. Van vlakbij schoot hij de Duitse pelotonscommandant dood en sprong tussen de rest van de vijandelijke soldaten. Diegenen die vlakbij stonden werden door zijn bajonet gedood. De andere Duitsers in de loopgracht werden bestookt met zijn granaten en hij gebruikte eveneens de Duitse granaten die hij daar vond. Er waren slechts 4 gewonde overlevenden die hij krijgsgevangen nam. Hij veroverde eveneens het machinegeweer. Voor deze actie kreeg hij het Victoria Cross. Later zou hij nog een Military Medal (MM) behalen voor een actie in oktober 1918. In Beaudignies, bij Le Quesnoy, Frankrijk, werd hij uiteindelijk in een schermutseling gedood.
grafsteen H. Nicholas in Vertigneul

Door de actie van Pte H. Nicholas VC kon zijn compagnie vorderen tot 50 yards ten westen van bunker 19 die aan de zuidrand van de Polderhoekstraat lag, pal ten zuiden van Polderhoekkasteel.

Kort achter dit punt, welke door Pte H. Nichoals VC ingenomen was, werden de uitgedunde rijen van de compagnie tegengehouden door een bijzonder zwaar verdedigde bunker, die ook de linker compagnie van het Canterbury regiment tegenhield. Het was bunker nr 18 die op 75 yards ten zuiden van het kasteel lag. Eerst werden rond 13.00 uur 2 secties en een half uur later een heel peloton van de ondersteuningscompagnie gestuurd ter assistentie maar ook zij konden het tij niet keren. Om hun plaatsen in de zwakke lijn bij Jericho in te nemen werd de reservecompagnie naar voor gebracht doorheen een fel Duits spervuur bij Veldhoek.
De vooruitgang viel hier nu definitief stil. Door het gebrek aan een steunend spervuur van de eigen artillerie hadden de vijandelijke machinegeweerposten vrij spel en werden ze niet langer gehinderd door granaatvuur. De verdedigers in beide zwaarbewapende bunkers en in het kasteel hadden het overwicht op de uitgedunde aanvallers die het merendeel van hun getrainde soldaten verloren hadden.
Inderdaad, sinds de Slag van Passendale was de Nieuw-Zeelandse divisie - die het kruim van haar troepen daar verloren had tijdens de aanvallen op 4 en 12 oktober – gereorganiseerd met nieuwe versterkingen voor wie dit de vuurdoop werd. Het merendeel van de getrainde soldaten, die Passendale overleefd hadden, bekochten hun voorbeeldige moed en strijdlust bij Polderhoek met de dood.
Kasteel Polderhoek tijdens de oorlog
Intussen kreeg het 1st Otago geweldige steun van van de Rifle Brigade die herhaaldelijk vijandelijke troepen, op de weg van Beselare, uit elkaar konden drijven met machinegeweervuur. In het begin kwamen ze goed vooruit en veroverden een bunker.

 Een kleine groep Otago’s slaagden erin tot naast het Polderhoekkasteel te komen doch ze werden fel bevochten vanuit versterkte granaattrechters en vanuit een 60 yards lange loopgracht aan de linker achterkant van het kasteel (noord-oost van het kasteel) die eveneens zwaar bemand was. De Otago’s hielden daar stand tot de vroege morgen van 5 december.

Vanuit het kasteel was er een overweldigend spervuur van machinegeweren dat hen eveneens op dezelfde afstand hield als het Canterbury regiment, een 150 yards voor hun eerste objectief. Ook bij hen werden ondersteuningstroepen gestuurd en vervangen door reserves. Noch individuele, noch wel overwogen pogingen om de vijandelijke posities te omsingelen konden iets uithalen. Drie van de eigen MG’s waren uitgeschakeld en er waren zware verliezen. Beide bataljons hadden ongeveer de helft van hun manschappen verloren waaronder veel officieren en ervaren onderofficieren. Eénmaal de aanval vastgelopen deed het gebrek aan ervaring bij de meeste van de manschappen zich voelen . De sterkte van de bunkers en het grote vuurvolume van de vijand was onoverwinnelijk gebleken. Slechts een 30-tal Duitsers werden gevangen genomen. De gedecimeerde aanvallers hadden geen ander alternatief dan zich in te graven. Op dit ogenblik was er geen hoop meer om het objectief te bereiken, noch om het kasteel te bemachtigen.
Het gewonnen gebied was wel waardevol, want het gaf een observatiepunt met volledig overzicht op de Scherriabeekvallei.
Hierdoor kon een concentratie van vijandelijke troepen die zich klaarmaakten voor een tegenaanval tussen Polderhoek en Geluveld, rond 14.30 uur, onmiddellijk gedetecteerd worden. Met een lichte loopgraafmortier werd vanuit Jericho de vijand uiteen gedreven. Bij hun overhaaste vlucht lieten ze hun geweren en uitrusting achter. De Nelson compagnie kon wraak nemen en weinig van de vluchtende Duitsers bereikten Geluveld. De vijandelijke aanval kon niet uitgevoerd worden en Duitse brancardiers waren onder dekking van de Rode Kruisvlag vanuit de Meenseweg uren later nog bezig op die plaats.
De Nieuw-Zeelandse aanval viel stil op zowat 80 yards ten westen van het kasteel.
Het Resultaat.

Tegen de avond, omstreeks 16.30 uur, kwamen veel vijandelijke versterkingen  (III/IR 163) toe bij het kasteel waarvan sommigen, die naar bunker nr 18 gingen, verrast werden door de NZ Lewis-guns.  Ook bij de Duitse verdedigers waren vele doden en gewonden. In de kelders van het kasteel zat het vol met soldaten, seiners, verplegers, koeriers en gewonden want de kelders werden ook gebruikt als noodhospitaal. I/IR163 verloor 171 man (40 doden, 82 gewond, 49 vermist), III/IR163 had 10 doden, 58 gewonden en 14 vermisten te betreuren. Tijdens de nacht werden I/IR163 en III/IR163 afgelost door II/IR163.

Veel Nieuw-Zeelandse gewonden lagen tussen de boomstronken en ’s nacht gingen brancardiers onder het vuur van vijandelijke machinegeweren in de bomtrechters tussen die boomstronken op zoek naar achtergebleven strijdmakkers. Tegen de morgen was het hele gebied vrij van gewonden.

In de ochtend van 4 december rond 08.30 uur, werden de uit het oosten en zuidoosten aanvallende Duitsers door de artillerie teruggedreven in de richting van Beselare. Een hoge tol werd betaald door individuele soldaten rond het kasteel die, verbazend genoeg, geen besef leken te hebben van de nabijheid van Nieuw-Zeelandse sluipschutters.
Gedurende de ganse dag werden de nieuwe stellingen alsook de toegangswegen vanaf Veldhoek bestookt door de Duitse artillerie. Om 14.00 uur werd er nog een vijandelijk spervuur gelegd doch deze keer zonder de gebruikelijke infanterieaanval. Na het invallen van de duisternis werden de aanvallende troepen afgelost door de andere compagnieën en het consolidatiewerk was afgelopen.
Maori Pioniers delfden 2 communicatieloopgraven vanuit een nieuw aangelegde loopgraaf naar de oude posities. Patrouilles gingen tot 50 yards van het kasteel en zagen de Duitse aflossing. Bij dageraad van 5 december probeerde een groep Duitsers van 80 man, die zich ’s nachts hadden verzameld, een aanval uit te voeren op de linkerflank. Ze konden tot 30 yards van de NZ posities penetreren. Door het hevig verzet van de Otago’s verloren de Duitsers de helft van hun manschappen en moesten ze zich onverrichterzake terugtrekken.

Toen de Otago’s nadien gevraagd werden waarom ze geen SOS gestuurd hadden, zeiden ze dat ze er niet aan gedacht hadden om hulp te vragen. Dit bewijst dat er nog wel degelijk, ondanks de nederlaag op 3 december, voldoende strijdlust was bij deze mannen.
Om 10.30 begon een hevige Duitse artillerieaanval op de oude frontlijn die de hele dag duurde. Ondanks een hevige artillerieaanval vanuit de Britse stellingen duurde het nog tot 17.00 uur vooraleer ze hun beschietingen staakten.
rode stip = kasteel + frontlijn 5 december op kaart van heden

Na herhaalde infanterieaanvallen schakelden de Duitsers over op hun artillerie en met behulp van ballonobservatie, in een mooie blauwe maar ijzig koude lucht, werd het hele gebied systematisch gebombardeerd. Hierdoor werd zware schade toegebracht aan de loopgraven en er waren ook nogal wat verliezen te betreuren.

Het bombardement, zoals later door gevangenen werd toegegeven, was initieel bedoeld om een aanval te ondersteunen die om 1700 uur zou plaatsgrijpen. Maar de tegenaanval van de Britse artillerie die de hele dag al uiterst actief was en zijn schootssnelheid nu verdubbelde , vernietigde de verzamelde Duitse troepen nog voor de aanval van start ging. Daartegenover
verminderde het volume van het Duitse artilleriegeschut. De eigen loopgraven werden opgeruimd en hersteld en de gewonden geëvacueerd.
’s Avonds werden de posities overgedragen aan het IX Corps en de 2de Brigade ging in reserve.
De aanval had niet het verhoopte resultaat, er was geen merkbare verbetering voor de posities in Cameron Covert, Reutel en Polygon Wood. Negen dagen later hadden de Duitsers Polderhoek opnieuw in handen.
De bescherming tegen een beschieting vanuit Polderhoek moest voortaan gebeuren door middel van arbeid met de spade….



Bibliografie


The Otago Regiment  Lieut. A.E BYRNE M.C.
The Canterbury Regiment Captain David FERGUSON M.C.
The New Zealand Division 1916-1919 Col. H.  STEWART C.M.G.,D.S.O.,M.C.
Halfweg Menin Road en Ypernstrasse Jan VANCOILLIE Lic.
The Short, Distinguished Military Life of Henry James Nicholas VC MM  John H. Gray

Polygon Wood Nigel Cave

Extract from
THE NEW ZEALAND DIVISION  
IN FRANCE AND FLANDERS
MAY 1916 TO NOVEMBER 1918

Brigadier John H. Gray
by the late Brigadier JOHN H GRAY

the front line at 3 Dec and 5 Dec

Early in November 1917 II Anzac Corps was redeployed back into the Salient but this time south, rather
than north of the Ypres-Roulers railway line. Its front ranged from Tiber, 1000 yards south of
Passchaendale for nearly five miles south along the key Broodseinde Ridge, in front of Polygon Wood and
down to the Reutelbeke, within a mile of the Menin Road near Gheluvelt, still held by the enemy.


NZ Div took command of the Corps right sector on 16 November 1917.  Its line extended for about 1.5 miles from the salient at the In de Ster Cabaret through the ruins of Reutel, and across the slopes of Cameron Covert. It was not a healthy place to be. Outposts in these two places were enfiladed from the main German defenses 1000 yards or so to the east at Becelaere. The enemy also had outposts in and about the series of copses  which culminated in the substantial Juniper Wood.

HQ NZ Div was in a hutted camp 2 miles south-west of Ypres, and on 5 December the divisional artillery established its gun lines near Hooge Crater, Westhoek and Glencorse Wood. On the very evening of 16 November a German gas bombardment was delivered at midnight along the
whole Corps front, lasting several hours. Two nights later there was a patrol clash just south of the Cabaret referred to. It was important to deny the enemy a foothold on the plateau in that area, as this would yield him valuable observation. The whole of the Broodseinde Ridge was hard-won ground, vital to the Allies. 


German aircraft were active overhead at that time, and even light trench mortars were brought into play in an anti-aircraft role. One succeeded in blowing a wing off a low-flying aircraft, which made a crippled descent behind the German lines. On its right boundary the division was exposed to enfilade fire not only from the east as described, but also from the Gheluvelt Ridge to the south. 

Between the Reutelbeek and the Scherriabeek was a spur on which the fortified ruins of the Polderhoek Chateau and a number of pillboxes were located. This had been won in past battles but subsequently lost to German counter-attacks. South of the Scherriabeke, the land rose again to the village of Gheluvelt and the Menin road; all of these positions posed additional threats to the occupancy of the divisional sector. 

Ideally both Polderhoek and Gheluvelt needed to be cleared of the enemy, but meantime it was decided to clear the spur and occupy the ruins of the chateau and its fortifications.
Polderhoek chateau during the war


Polderhoek Chateau - the Plan: 

An attack from the flank and rear from existing positions across the Reutelbeek was considered and rejected. 
Deadly fire would rake the Reutelbeek Valley from Beceleare and Juniper Wood, but additionally, the stream itself was virtually unfordable, being 30 feet wide and flanked by a morass of soft mud into which patrols from Cameron Covert sank up to their knees. Moreover, the location of the gun lines was such that the supporting barrage would be in enfilade.

The second alternative was to attack frontally down the spur from adjacent IX Corps positions. These provided assembly trenches in close proximity to the chateau and a frontal barrage could be obtained. This was decided on.

Artillery support would be provided by one Australian and two British units ( pending the arrival immediately after the battle of the New Zealand batteries), but controlled by the Commander Royal Artillery, NZ Division who had set up his HQ in the Ypres area on15 November.

The New Zealand attack was to be undertaken by 2nd Infantry Brigade. On the evening of 25 November, in a
snowstorm 2
nd Canterbury took over the front from the Reutelbeke to the Scherriabeke and engaged in
digging to create adequate assembly trenches. Heavy as well as field artillery brought down concentrations
on the target from the 28th. Both sides exchanged fire over the next few days, and both caused damage. A
routine of super-heavy artillery fire on the chateau area  (and elsewhere) by day was established.

1st Canterbury and 1st Otago were allocated the actual attack and rehearsed on similar ground behind Ypres beforehand. Their reconnaissance parties observed the ground from the 2nd Canterbury lines and Cameron Covert. 2nd Otago took over the reserve role from 2nd Canterbury 

The attack was set for 1200 hours on 3 December. It was expected that the element of surprise through the attack being launched when least expected would off-set the obvious daylight disadvantages. Smoke would be used to blind the enemy on the Becelaere and Gheluvelt features, which would also be subjected to heavy concentrations of gas and high explosive. There would be no preliminary bombardment on the target, as this would obviate surprise. At one and the same moment the barraging guns would open and the infantry would rush to the assault. It was about 200 yards from the start line to the chateau. 

Each battalion would attack with two companies advancing in two waves. The first wave would advance to an intermediate (Dotted Red) line 50 yards beyond the building; the second wave then passing through
after a ten-minute pause in the barrage to take, and consolidate on the final objective 300 yards further on
(The Red Line). 


On the assaulting companies leaving the assembly trenches, counter-attack companies were to move up and
occupy the positions vacated. Further reserve companies were detailed to move in after dark to relieve the
companies in the newly established front line; complete its consolidation and erect wire fronting it.
 


The Red Line aimed at circling the whole of the grounds and ruins and at the same time covering the southern and south-eastern flanks. The Chateau itself fell within the area of 1st Otago on the left. It had a much wider frontage than its sister battalion. However 1st Canterbury not only had to attack a series of pillboxes, the stables and the
Manager’s House, but it would also provide a defensive flank on the south overlooking the Scherriabeek Valley, facing Gheluvelt. The Canterbury outer flank was much more exposed to attack from there than that of Otago, which was largely protected on its left by the muddy bed of the Reutelbeke.
 

Execution: 

Problems arose immediately as the barrage opened and the assaulting troops came out into the open, in the form of heavy casualties amongst the left of 1st Otago through the artillery firing short. Although the fixed
starting line for the artillery barrage was 150 yards in front of the assembly trenches, much of the entire
weight of the barrage fell on the area occupied by the infantry which had no option other than to go
forward through it. 


In fairness to the gunners it has to be said that they had the same problem as at Bellevue Spur; the muddy ground provided unstable platforms and the guns had to be re-laid every few shots.

Hopes of catching the enemy off-guard were not realized; the daily heavy artillery bombardment had not driven him underground, and machine-gun fire began immediately from the pillboxes in front, and from the Gheluvelt Ridge on the right flank. 

In that direction, the plans miscarried from the outset. A strong west wind dissipated the protective smoke barrage and the right-flanking company took heavy casualties both from this enfilade fire, and from
strongpoints to the front. Nonetheless, they continued to fight their way forward.
 


A particularly gallant incident took place on this flank. An enemy strongpoint manned by 16 Germans was proving to be stubborn. The section commander and several men attacking it were killed.  Private H.J. Nicholas then rushed forward, followed by his section, and reached the parapet before the occupants
realised it. He shot the platoon commander who confronted him, and jumped down amongst the remainder
with the bayonet and both his own and German bombs lying about. He killed the whole of the garrison single-handed except four wounded whom he took prisoner. 


Private Henry James Nicholas was subsequently awarded the Victoria Cross (A 26 year-old carpenter from Christchurch on enlistment, Private Nicholas continued to serve with his company, on another occasion being awarded the Military Medal. Sergeant HJ Nicholas VC MM was killed in action at Beaudignies, near Le Quesnoy on 23 October 1918. He was buried in Vertigneul churchyard.

Belatedly, in 2005 a memorial is being constructed on the banks of the River Avon in Christchurch, near the Bridge of Remembrance, to honour the city’s only Victoria Cross holder of World War l.) 

Beyond this point, however, the remnants of the company were held up by another strongpoint. A platoon sent up by the Support Company could make no impression. On the left 1st Otago were not subject to the same devastating flanking fire and at first made good progress. They subdued a pillbox but then came under fire from the chateau and were held up on much the same line as Canterbury; about 150 yards short of the first objective. 

By now both battalions had lost half of their effectives including many officers and NCOs. Only 30 prisoners had been taken. There was no option for the attackers but to dig in where they were. This was some 200 yards forward of the start line, but short even of the intermediate objective, let alone the Red Line. From these positions they were able to disperse an enemy force assembling in the upper part of the valley, causing them casualties. However, during the evening the Germans were able to reinforce their garrison in the chateau itself, denying 2nd Brigade an intended enveloping movement from the Reutelbeke slopes. 

The recovery of wounded proceeded throughout the night, and on the morning of 4 December enemy forces mustering to the east were driven back in disorder by artillery fire towards Becelaere. 
After dark other companies relieved the assaulting troops and consolidation was completed; a strong line being constructed by the Maori Pioneer Battalion. At dawn on the 5th a party of about 80 Germans endeavored to surprise the left flank but were driven off with 50% casualties. In the evening of 5 December, the new positions were handed over to IX Corps troops and 2nd Brigade withdrew into reserve. 

While the costly advance achieved some minor local benefit, the aim of the attack was not achieved. Moreover, the ground captured was recovered by the Germans nine days later. 
memorial for Nicholas in the Oude Kortrijkstraat, Zonnebeke

The main reason for the failure was put down to inadequate training and the inexperience of the troops,
many of whom were reinforcements following the heavy losses in October 1917.  The only experienced
officers and NCOs who took part had been in the B Team for the Passchendaele battles (the survivors from
there were B Team for Polderhoek) Virtually all of the officers in the assaulting companies became
casualties on 3 December and valuable NCOs were also lost. Shorn of this leadership, and to some extent
already demoralized by the artillery shortcomings, the infantry did not perform to the usual high standards.


The mutually supporting German pillboxes were largely undamaged by artillery fire and brought immediate machine-gun fire to bear, while the dissipation of the smokescreen by a strong westerly wind enabled the machine-gunners in Gheluvelt  to inflict heavy casualties on 1st Canterbury. 

Holding the Line - to February 1918:                                                                             

At the beginning of December, the divisional front was extended a further 500 yards east of Molenaarelsthoek. One brigade held the short southern flank in Cameron Covert between the Reutelbeke and the Polygonebeke with one battalion and three in reserve and the other forward brigade the northern sub-sectors of Reutel Judge and Noordemhoek with three battalions in the line. 

Up to the end of 1917, the Allied posture had been on the basis of an early resumption of the offensive. 
However it soon became apparent that the Russian collapse would be followed by a German drive on the Western Front in the spring and this fact, together with the desirability of waiting for the American forces indicated a need to strengthen defenses instead. 

This became the priority on the NZ Div front as elsewhere and a great deal of effort was made to this end in difficult winter conditions. Minor raids and skirmishes by both sides continued, and from time to time
artillery fire intensified. There was a great deal of shelling on cross-roads and other centers of activity and
casualties were occasioned in rear areas.